door Harmen van der Werf/PZC
WOLPHAARTSDIJK - Het Veerse Meer is als viswater aan het veranderen door het inlaten van vers en zouter Oosterscheldewater. Voorlopige resultaten van een onderzoek door ingenieursbureau Visadvies wijzen dit uit.
Onderzoeker M. de Lange van Visadvies houdt nog enkele slagen om de arm. De eindresultaten van het onderzoek komen mei 2007. Het is volgens hem in elk geval al wel duidelijk dat het Veerse Meer meer soorten vis herbergt dan voor medio 2004, voor de opening van het doorlaatmiddel in de Zandkreekdam bij Kats. Hij noemt zoutminnende vissen als zeebaars en ansjovis en de trekvis fint, die graag op de scheiding van zoet en zout water vertoeft.
Paling en forel zijn voor gebruikers van het Veerse Meer de interessantste vissoorten. De twee beroepsvissers op het meer moeten het vooral van paling hebben. Onder sportvissers is forel favoriet. Forel wordt al vele jaren uitgezet. Met zowel paling als forel gaat het naar de indruk van De Lange niet zo goed. ,,Ik kan nog geen aantallen geven, maar veel forel lijkt weg te trekken, in elk geval naar het Kanaal door Walcheren waarin veel voedsel, zoetwatergarnalen, zit.''
Kanttekening
De Lange plaatst daarbij een niet onbelangrijke kanttekening. Tot de ingebruikname van het doorlaatmiddel bestond er gelaagdheid in het water van het Veerse Meer. Vanaf een bepaalde diepte was het water zuurstofarm. Vissen gedijen daar niet goed in. De gelaagdheid is verdwenen. De Lange sluit niet uit dat forellen dieper zijn gaan zitten, op plekken waar ze vanaf de oevers - de favoriete stekken van sportvissers - moeilijker te vangen zijn.
Ook P. Mercy, sportvisserslid van de visstandbeheercommissie Veerse Meer die opdracht gaf tot het onderzoek, denkt dat dit het geval is. Of er minder forel in het Veerse Meer zit, blijft voor hem de vraag.
,,Forellen laten zich moeilijk traceren. Met de vistuigen die zijn gebruikt voor het onderzoek, laten ze zich niet vangen. Forellen zijn zichtjagers. Ze komen ook bijna niet in fuiken terecht. Maar toen het water laatst wat troebeler was, zaten er bij de Zandkreekdam wel vrij veel in.'' C. van de Kreeke uit Wolphaartsdijk werkt als beroepsvissers aan het onderzoek mee. Hij zit al vijfenveertig jaar op het Veerse Meer. Met de palingstand gaat het naar zijn idee niet slecht.
,,Sinds het doorlaatmiddel er is, komen er meer kleine palingen. Dat is goed. En we vangen zeker niet minder dan in 2005. En in 2005 vingen we meer dan in 2004.'' Positief noemt Van de Kreeke de groei van het kreeftenbestand. ,,Die neemt geweldig toe.''
Het barstte volgens hem tot november ook van de kleine tongetjes. ,,Maar als het kouder wordt, zoeken die de zee op.'' Het beeld is dus nogal divers. Het wachten is op de eindresultaten van het visonderzoek. Tot die tijd maakt de federatie van hengelsportverenigingen zuidwest-Nederland een pas op de plaats met het uitzetten van forellen, meldt directeur H. den Bakker.
Voedselrijkdom
Den Bakker vreest vooral dat het productievermogen, de voedselrijkdom, van het Veerse Meer afneemt. Dat lag hoog, maar lijkt terug te zakken tot het niveau van de Oosterschelde waar het schonere en zoutere inlaatwater vandaan komt.